Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich artikelen van düstrades te herhalen '), maar vermijdt dan angstvallig eiken schijn alsof hij d'Estrades overschaduwen wil. Vreesde hij maar even, dat deze er achter zou komen, dat hij iets buiten zijn voorkennis had geschreven, dan smeekte hij Lionne daar toch niets van te laten uitlekken.

') Als voorbeeld strekke een plaats uit de -V. van 20 Maan 1664: „Monsieur 1'Ambassadeur eserit sur le mcsme sujet ce qui m'empescheroit d'en parler si je ne m'y trouuais obligé, par ce que c'est raoy principalement qui ay disposé la Compagnie a relascher de ses pretentions en consideration de Monsieur de Vendosme." Dit slaat op het geval met Hubert Hugo en Laurens Davids, Dortenaars van geboorte, die gewapend met een vergunning van den Hertog van Vendöine, admiraal van Frankrijk, een paar echte zeeschuimers waren geworden. Davids, te Dordrecht teruggekomen, werd vooral op de klacht van de O.-I. Compagnie, dat hij en zijn makker in hare bizondere wateren handel hadden gedreven, gevat, terwijl er beslag werd gelegd op het gedeelte van hun buit, dat zij herwaarts hadden gezonden.

Uit de aanhaling ziet men, dat Wicquefort ook relatiën had met de O.-I. Compagnie. Hij heeft zich ook in een ander maritiem geschil gemengd eti het zijne bijgedragen tot de vrijlating van de schepen St. Jean Baptiste en Alette Marie, welke voor rekening van de „Compagnie des lndes fran^aises" te Amsterdam gebouwd, op last van de Staten bij en tengevolge van het uitbreken van den oorlog met Engeland verhinderd werden uit te loopen. Over het geheel verwaarloosde Wicquefort handels- en zeezaken niet, als hij er voordeel uit kon trekken. Vóór de komst van den agent de la Garde Belin in den zomer van 1664 bezorgde hij te Amsterdam meermalen den aankoop van schepen voor rekening van de Fransche Kroon. Nu eens beveelt hij een koopman aan, die goedkoop en uitstekend kruit kan leveren, dan weder doet hij een goed woord voor een handelaar, van wien een partij zeep te Rouaan is aangehouden, omdat walvischtraan er een hoofdbestanddeel van was. Colbert had namelijk den invoer van traan verboden. Ten slotte vermeld ik nog deze zaak, waarop d'Estrades in zijn Lettrc van 6 Nov. 1664 doelt. Eenige Hollandsche kooplieden wilden een handelsweg om den Noord naar China aanleggen, maar de naijver van de O.-I. Compagnie belette dit plan, voor zoover de Republiek het uitgangspunt van de nieuwe vaart zou zijn. Nu beijverde Wicquefort zich op bepaalden last des Konings deze nieuwe maatschappij, waarvan hij een der commissarissen kende, naar Frankrijk te verplaatsen. In het kort, Wicquefort deed zijn best of gaf er ten minste den schijn van, „pour attirer le commerce en France." Hoewel hij weinig ophad met zijn familie, gaf hij alleen om den Franschen handel een buitenkansje te verschaften, zijn neef de Wicquefort, die te Amsterdam de zaken van den Keurvorst van Keulen behartigde, den raad zich als handelsman in Duinkerken te vestigen (-V. 11, 25 Dec. 1664).

Sluiten