Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze in zijn depeche van 3 Juli 1670. D'Estrades was hier geweest en nu had Wicquefort in een courant geschreven: .,Mr. d'Estrades est party. II a veu deux fois Mr. de Wit, et est entré assez auant auec luy sur les affaires. On a peu comprendre de ses discours que Mr. de Pomppnne rend de trez mauvais offices, qu'il veut faire croire pour faire 1'habile que les divisions perdront eet Estat et que la France en aura bon marché. On ne peut attendre que les affaires se rapprochent tant qu'elles seront entre ses mains." Pomponne duchtte de journalistieke bekwaamheden van zijn tegenstander zoozeer, dat hij alle moeite deed om achter de namen van diens Fransche berichtgevers te geraken. De verspieder Bernarts wist die te vinden '), zoodat Pomponne weldra aan Lionne kon berichten, dat Wicquefort zijne brieven naar Parijs adresseerde aan Justel, secretaris des Konings(!), terwijl hij de brieven vandaar ontving onder het adres van Lambert van Xoten te 's-Gravenhage. Het zou niets te verwonderen zijn geweest, als van Noten voortaan te vergeefs naar zijne pakketten had uitgezien en als Lionne den heer Justel spoedig onschadelijk had gemaakt. Dit laatste gebeurde, wonderlijk genoeg, niet. Justel behield zijn ambt en, wat nog vreemder is, het schriftelijk verkeer tusschen hem en Wicquefort bleef in gang ').

Casteleyn zie Everwijn bl. 118 v.v. Zie over de Casteleyn en de Haarlemsche Courant het opstel in de Hand. en Mcded. van de ilaatsch. van Xed. Lettert. Leiden 18/3, van de hand van Mr. \\ . P. Sautijn Kluyt, den ij\erigen verzamelaar van bouwstoffen voor een geschiedenis van de Nederlandsche journalistiek. Dit artikel brengt echter geen nieuws over den joumalistieken arbeid van Wicquefort.

') Die vondst had vrij wat voeten in de aard. Wicquefort was zoo geheimhoudend mogelijk met zijne adressen. Zelfs de Witt kende de bronnen niet, waaruit Wicquefort zijn Parijsch nieuws putte. De Witt schreef 6 Jan. 1C67 aan van Beuningen. (.Brieven II bl. 41 ^); „Den Correspondent waer van ick in myne van den 23. December mentie gemaeckt hebbe, is den heere Wicquefort, of syn Man tot Paris, my onbekent."

) Op talrijke plaatsen in de Groots brieven aan Wicquefort is sprake van dezen Justel. Wicquefort bekende voor zijne rechters, dat hij met Justel een zeer langdurige briefwisseling had onderhouden. (Verhoor van 30 April 1675 bij Everwijn a w. bl. 54).

Sluiten