Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leden der ziekekassen en de werkzaamheden der arbeidsbeurzen worden er in opgenomen. De vakvereenigingen, die werkloozenondersteuning geven, hebben zich bereid verklaard, regelmatig opgaven te doen van hun werkloozen.

Ook in Frankrijk is aan de volkstelling van 29 Maart 1896 een beroepsstatistiek verbonden, terwijl tegelijk een werkloozentelling werd gehouden 1). Op dien datum waren er circa 270,000 werkloozen of 7 personen op 1000 inwoners, waarvan 2/3 mannen en 1/3 vrouwen. In den landbouw bleek het aantal werkloozen het minst, in de industrie het grootst te zijn. Alles is departementsgewijze uitgegeven.

Werkloozen (mannen en vrouwen).

Landbouw . . . 1.15 % Confectieindustrie . 7.35 %

Mijnindustrie . .. 0.86 % Leerindustrie. . . 4.97 %

Voedingsmiddelen . 3.16 % Hout „ ... 5.22 %

Chem. industrie . 0.52 % IJzer „ ... 4.24 %

Papier „ . . 2.02 % Bouwbedrijf . . . 7.49 %

Boekdrukkers . . 4.59 % Transportbedrijf . 2.23 %

Weefindustrie . . 2.39 % Handels „ . . 4.47 %

Wat de leeftijd betreft waren er werkloos:

tot 18 jaar 5.58 %

18—24 „ 16.78 %

25—34 „ 22.19 %

35—44 „ 18.54 %

45—54 16.09 %

55—64 „ 12.69 %

65 jaar en hooger. . . . 8.09 %

99.96 %

l) Sociale Praxis van 7 November 1901, Dr. Loew.

Sluiten