Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De staat, die, als hij dit in het belang der armenzorg geraden oordeelde, alle bedeeling aan de Kerk of' particulieren geheel zou kunnen verbieden, mag in beginsel ook aan dezen alle beperkingen bij het liefdewerk opleggen, die hem wenschelijk schijnen: aldus de moderne opvatting, hoezeer wellicht minder algemeen gedeeld dan de boven ten opzichte der staatstaak weergegeven denkbeelden. Een vijftigtal jaren geleden echter werd nog met klem de vrijheid der Kerk ten opzichte der liefdadigheid gevindiceerd; elke inmenging van staatswege was uitoefening van een Jus in sacra", die niet kon worden geduld^

Aldus zijn, naar ik meen, de denkbeelden aangaande armenzorg heden, vergeleken met die van vijftig jaar terug. Wil men uitingen van de hedendaagsche opvatting, ik verwijs naar de praeadviezen en de handelingen van de in 1894 te Rotterdam gehouden vergadering der Vereeniging voor de Staatshuishoudkunde en dc Statistiek1); naar de dissertatie van Jhr. Mr. H. Smissaert: „Het aandeel van den Staat in de verzorging der armen" a); naar het rapport over „Het vraagstuk der armverzorging", in opdracht van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, samengesteld door dc hoeren Mr. H. Goeman Borgesius, Mr. A. F. K. Hartogh, J. F. L. Blankenberg, Dr. H. J. de Dom pi ek re de Chaufepié en 5Ir. R. J. H. Patijn;

') Dc behandelde vragen luidden: „Behoort het beginsel der armenwet, dat de burgerlijke overheid slechts hij gebleken volstrekte onvermijdelijkheid onderstand inag verleenen, te worden gewijzigd, zoo ja in welken zinr Door wie behooren de kosten der openbare armenzorg te worden gedragen

Praeadviseurs waren dc liccren G. H. IIintzes, Hugo Muller en H. pïttersen tzu.

J) Utrecht, 1893.

Sluiten