Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is het doel der wet: overlating van de armenzorg aan de kerkelijke en bizondere instellingen van liefdadigheid bereikt? Is het voor de burgerlijke besturen mogelijk geworden, zich van dit terrein allengs terug te trekken?

Voor de beantwoording dezer vragen wil ik thans eenige bouwstoffen aandragen. Tevens kan dan op deze andere vraag het antwoord worden gezocht: of de wet er toe bijgedragen heeft, dat de armoede verminderd is, daar immers het einddoel van alle armenzorg moet zijn zichzelf overbodig te maken. ')

De cijfers mogen hier spreken. Ik ontleen ze in hoofdzaak aan de Regeeringsverslagen over de verrichtingen aangaande het armbestuur, overigens verwijzende naar de interessante statistische beschouwingen bij Mr. Smissaert. 2) Ik geef de cijfers met alle reserve. De lezing van wat de Regeering in het verslag over 1898, toen voor liet eerst een geheel nieuwe indeeling werd aangenomen, over de tot dat jaar gevolgde methode schreef, is wel geschikt om tot voorzichtigheid bij het trekken van conclusies uit die cijfers aan te manen. Zij merkte toen toch op, dat aangaande de rubriek, waarin zekere soort onderstand moest worden opgenomen, vaak onzekerheid heerschte en dat de waarborg, dat de tabellen door de verschillende besturen goed waren ingevuld, veelal ontbrak.

Intusschen: aan de gepubliceerde cijfers om deze redenen alle waarde te ontzeggen, zou te ver gaan. Integendeel mag men aannemen, dat. nu in de jaren 1870-1897 de indeeling van het verslag in hoofdzaak dezelfde bleef, de

') Woorden van den minister Goeman Bokuksius. Zie 1)1/.. 4 van de toelichting van liet wetsontwerp tot herziening der regeling van het armbestuur. (Handd. 1900—1901, Bijl. 237).

') T. a. p. bi/.. 83-108.

Sluiten