Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de overheid geholpen en wel in het werkhuis. Doch een verbod van bedeeling — en vooral een dat zich alleen tegen de bedeeling van een zoo vaag aangeduide mensehengroep als de „onwaardigen" richt — is te eenen male onuitvoerbaar. Zou het op de erkende vereenigingen al toe te passen zijn. tegenover de ongeorganiseerde liefdadigheid staat men machteloos.

Van den anderen kant is een beperking van de staatszorg zóó, dat zij niet te ruim zij, al even moeielijk. Art. (>.! üd 2 van het ontwerp-GoEMAN Rorgesius 'H'\at een omschrijving van wat liet burgerlijk armbestuur mag doen. De bepaling ziet er aanvankelijk als een beperking uit, doch door de slotwoorden wordt zij weder zoo ruim. dat zij eigenlijk geen enkele bedeeling buitensluit: „Voor zoover de ondersteuning vanwege het burgerlijk armbestuur niet verstrekt wordt onder voorwaarde van opneming in het werkhuis, bestaat zij in bedeeling, verstrekking van genees-, heel- of verloskundige hulp, en van de noodige geneesmiddelen en verbandmiddelen, uitbesteding, verpleging in gestichten of zoodanige andere hulp, als met het oog op de behoeften en de persoonlijke eigenschappen van den betrokken arme het meest gewenscht is".

Alleen het eerste lid van hetzelfde artikel bevat een beperking van liet burgerlijk armbestuur. Slechts armen mogen ondersteund worden. Wat daaronder te verstaan is, zegt art. 2: „Armen in den zin der wet zijn zij, wier inkomsten uit welken hoofde ook niet voldoende zijn voor het noodzakelijk levensonderhoud van hen zeiven, hun echtgenooten en hun inwonende, minderjarige kinderen".

Hen te helpen die niet beslist arm zijn wordt dus aan liet burgerlijk armbestuur ontzegd. Waar zulk een hulp

Sluiten