Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo was het althans tot aan de wet van 22 April 1855 Stbl. 32 „tot regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering". Daarbij toch wordt voor vereenigingen de erkenning door de wet of door de Kroon als voorwaarde van rechtspersoonlijkheid gesteld (art. h).

Geldt dit ook voor vereenigingen, die armenzorg ten doel hebben'? De wet van 1855 is tegenover de Armenwet lex specialis, in zoover de eerste slechts op de liefdadige vereenigingen zou kunnen doelen, terwijl de laatste alle liefdadige instellingen omvat. Doch aan den anderen kant is zij lex generalis, daar zij alle vereenigingen, de Armenwet slechts de liefdadige vereenigingen, beheerscht. Kan de regel „lex specialis derogat legi generali" ons dus ten opzichte van deze vraag geen licht geven, dan zal men zich wel hieraan moeten houden, dat de wet van 1855 als latere wet aan de Armenwet derogeert. De eerstgenoemde, die in ons geheele vereenigingsrecht zulk een belangrijke wijziging beoogde aan te brengen, mag zeker, nu geenerlei uitzondering gemaakt is, geacht worden ook de liefdadige vereenigingen te omvatten. ')

Komt het tot een herziening onzer Armenwet, dan zal ook de rechtspersoonlijkheid der instellingen van weldadigheid anders geregeld moeten worden. In afwach-

art. 7 ilcr Armenwet aangehaald, is volgens het vrijwel algemeen aangenomen gevoelen niet op stichtingen toepasselijk.

Men zal, dunkt mij, aan de aanhaling van art. 16'J1 B. \V. niet te veel gewicht moeten hechten en liever moeten aannemen, dat art. 7 in het algemeen de rechtspersoonlijkheid onderstelt. (Zie ook Mr. F. R. Fkith in zijri 1'raeadvies voor de Juristen Vereen. 1873, blz. 00).

') In dezen /.in ook de missive van den Minister van Binn. Zaken van Tets van Goudrtaan van 20 üctober 1859, opgenomen in de Gemeentestem n°. 420.

Sluiten