Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoudt haar kracht ook nu volgens art. 60 der Armenwet de Raad steeds de begrooting der steunvragende instellingen onder oogen krijgt. Vooreerst natuurlijk omdat art. 60 slechts voor nieuwe subsidies geldt. Maar bovendien blijkt uit de geschiedenis van art. 148 ten duidelijkste, dat de goedgekeurde begrooting volkomen gelijksoortig is aan de gemeentebegrooting: beide geven maxima aan, strekken ten grondslag bij het onderzoek der rekening. Het zwaartepunt van het artikel lag aanvankelijk elders. In het ontwerp stonden n.1. achter „genieten" de woorden te lezen: „of, naar de regelen bij de wet op het armbestuur te stellen, aan het gemeentebestuur rekenpligtig zijn." ')

,Het onderzoek toch der rekening", aldus luidde het in de tot lichting, „zal. zoo de begrooting boven controle is, zonder wezenlijk gevolg blijven." Ten einde niet op de in de Armenwet te treffen regeling vooruit te loopen, werden de woorden bij amendement van den heer Dommer Polders\ eldt geschrapt. Doch door niemand was tegengesproken dat de eisch van goedkeuring der begrooting dienen moet om de rekenplichtigheid — waar die bestond — wezenlijk te maken, dat m. a. w. de begrooting, althans voorzooveel de uitgaven betreft, niet bloote ramingen, doch bindende maxima bevat.

Een aanwijzing, hoe een conflict tusschen eenige instelling en den Raad over begrooting of rekening op te lossen, — art. 19 lid 2 der Armenwet geldt alleen voor dn in het eerste lid genoemde instellingen — ontbreekt. *)

Ik zie voor deze rekenplichtigheid geen reden, tenzij

') Irancken, Gemeentewet, blz. 295 v.v.

-> Zie Prof. Opi'enheim's Gemeenterecht., 2e druk, I blz. 748.

Sluiten