Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het ontwerp van den minister Goeman Bokgesius komt een ietwat omslachtige regeling van dit onderwerp voor (artt. 4!)—55), waarbij ook de scheiding is gemaakt tusschen instellingen in de gemeente, voor wie een kennisgeving voldoende is (art. 50) en die van buiten, die vergunning moeten vragen (art. 51).

De wet zondert terecht van de bepalingen van art. 13 uit de „collecten in kerkgebouwen bij de uitoefening deiopenbare eeredienst, en die, voor instellingen eener kerkelijke gemeente, enkel aan de huizen van de lidmaten dier gemeente." Wellicht ware de uitzondering ook uit te strekken tot de ten plattelande niet zeldzame collecten op kerkelijke begraafplaatsen bij de begrafenis van een lidmaat.

dat. art. 13 z. i. de bevoegdheid tot stuiten geeft, wanneer tegen een collecte gegronde bezwaren rijzen, ontleend o. a. aan vergelijking van liet nut der inzameling niet de schade, welke zij plaatselijke instellingen van weldadigheid zou kunnen berokkenen.

Alleen dus het in beginsel aannemen dat geen collecten van buiten zouden worden toegelaten, was volgens het K. B. van 27 Januari 1897, n°. y verboden. Hiervan wordt in de verschillende Kou. Besl. ouder het ministerschap van Mr. Gok man Bokgesius genomen, niet afgeweken. Schijnt „de tijd waarop de voorgenomen collecte zou worden gehouden ongewenseht.... voor het belang der plaatselijke liefdadigheid" (K. B. van 7 üec. 1899, n°. 1, iu W. Burg. Adm. u°. 2637) of is deze tijd zoo gekozen dat zij daaraan „ernstige afbreuk" zou doen (K. B. van 1 Dec. 1898, n°. 43, Burg. Adm. n°. 2584), dan wordt de stuiting gegrond verklaard. Steeds wordt ieder geval afzonderlijk beschouwd. (Zie b. v. het K. B. van 28 Febr. 1898, n°. 47, iu W. Burg. Adm. n°. 2570, waar van de verschillende stuitingen van door éénzelfde instelling georganiseerde collecten sommige gegrond worden verklaard, andere ongegrond).

Ietwat strenger tegenover de gemeentebesturen schijnt het K. B. van 5 Oct. 1901 (bij Luttenberg) door den minister Kuyper gecontrasigneerd, waarin als beginsel voorop gesteld wordt dat „slechts om zeer gewichtige redenen" collecten kuuueu worden belet. (De aangehaalde woorden zijn kennelijk aan de toelichting van den Minister van Reenen op art. 13 ontleend).

Sluiten