Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

Gelijk ik reeds betoogde, kan de staat (provincie en gemeente daaronder begrepen) met het houden van toezicht op en het bevorderen van de particuliere en kerkelijke liefdadigheid niet volstaan.

Al dadelijk hierom niet. omdat op het platteland veelal elke particuliere armenzorg ontbreekt. De armen, die tot geen kerkgenootschap behooren en dus niet door de kerkelijke liefdadigheid worden ondersteund, komen daar dus ten laste van de burgerlijke besturen. In de enkele gemeenten waar zelfs geen kerkelijke instelling van weldadigheid bestaat, komt de geheele armenzorg ten laste van den staat.

Maar ook waar eene uitgebreide kerkelijke en particuliere liefdadigheid bestaat, kan de staat zich niet geheel terugtrekken. Immers, zooals ik boven (blz. ;12) herinnerde, steunt dit slechts de u-aardige armen. Medelijden is liet motief voor kerk en particulier. Heeft de arme de kerkelijke en particuliere bemoeiing verbeurd, dan zal, omdat de menschelijkheid niet gedoogt hem van gebrek te laten omkomen, de staat zich zijner moeten aantrekken.

Zoolang de luiheid bestaat, zullen er lieden zijn die door eigen schuld armlastig worden. Zoolang zal ook het ideaal van den wetgever van 1854: alle armenzorg aan de kerk en de particulieren over te laten, onbereikbaar blijken.

Sluiten