Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schapen waarborg, de bevoegdheid n.1. van het laatgenoemd bestuur om den arme over te laten komen vestigde, naar Mr. Jacob van Lennep in de Tweede Kamer op 17 Mei 1854 opmerkte, een soort slavernij, maakte de armen tot glebae adscripti!

Eindelijk werd in 1870 nog vóór de afschaffing van het domicilie aangevoerd, dat zij de kerkelijke en bizondere instellingen tot grooter krachtsinspanning zou aansporen. Voortaan wisten zij dat de armen, die zij afwezen, ten laste van het bestuur harer eigen burgerlijke gemeente kwamen, terwijl vroeger haar weigering alleen de gemeente, waar de arme domicilie had, op kosten joeg. Inderdaad is sinds 1870 eene stijging van het aandeel der particuliere en kerkelijke instellingen ingetreden. Uit te maken valt evenwel niet in hoever dit aan den hier genoemden factor te danken is.

De wetgever zal niet licht tot weder-instelling van een domicilie van onderstand overgaan.

De bezwaren aan elk stelsel op zichzelf verbonden, die ik hierboven kort vermeldde, worden nog vermeerderd door deze algemeene waarheid, dat in veel gevallen een band tusschen een individu en eenige gemeente inderdaad niet bestaat en dat, waar uit kracht van een langdurig verblijf zulk een band wel mag worden aangenomen, men toch veelal niet kan zeggen dat de gemeente tot onderstand verplicht is omdat zij zoo lang van de arbeidskracht van den thans behoeftige heeft geprofiteerd. De groote sommen, die de gemeente alleen reeds aan het onderwijs van arbeiderskinderen ten koste heeft te leggen, worden, zoolang de gemeente het bedrijf niet mag belasten, door de inkomsten, die zij van de arbeiders geniet, slechts zeer ten deele gedekt.

Sluiten