Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijven voortbestaan, jaren nadat de laatste oudstrijder ten grave zal zijn gedaald; zou een bestuur moeten hebben, enz.

In de Armenverslagen vindt men herhaaldelijk van opheffing van instellingen van weldadigheid gewag gemaakt. Van niet-opheffing van instellingen wier doel vervallen is, bleek mij uit deze verslagen niet, maar behoefde daaruit ook niet te blijken aangezien alleen oprichting en opheffing van instellingen daarin worden vermeld. Voor het minst kan men echter stellen, dat de praktijk den vader der wet niet onverdeeld gelijk geeft.

.lure constituendo schijnt het antwoord mij niet dubieus. Wat zijn tijd gehad lieet't, moet verdwijnen. Wordt het gebruik der bezittingen onder hoogere goedkeuring (n. 1. voorzooveel de burgerlijke instellingen betreft) geregeld, dan behoeft de instelling zelve niet kunstmatig in stand te worden gehouden. Aldus dan ook art. 7 van het ontwerp-GoEMAN Borgesius.

De wet heeft aan het burgerlijk armbestuur een groote zelfstandigheid tegenover de gemeente willen verzekeren. Niet de Raad of B. en W. maar Gedeputeerde Staten houden toezicht op het beheer van het vermogen dezer instelling (artt. 15—18j. De Raad stelt wel een reglement ervoor vast (art. 4) en heeft de begrooting en rekening goed te keuren (art. li);, maar uit alles blijkt, dat het burgerlijk armbestuur, zooals de wet zich dat denkt, een afzonderlijke instelling is, niet op één lijn te plaatsen met b. v. een commissie van bijstand in het beheer van een gasfabriek. De gelden, die de gemeente aan het burgerlijk armbestuur verstrekt, booten daarom ook subsidies en ten opzichte van deze worden de burgerlijke instellingen met de andere op één voet behandeld, (artt. 59—61).

Sluiten