Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zulk een partiëele variabiliteit optrad, nl. Sorbus hybrida, noemde ik reeds.

Soms komen van eenzelfde soort verschillend getypeerde laciniata-varieteiten voor, die onderling ook in de mate van partiëele variabiliteit verschillen vertoonen; soms worden dan knopvariaties gevonden, waarbij aan een boom van een bepaalde varieteit de kenmerken van een andere in één tak te voorschijn komen. Zoo droeg een boom van Fagus silvatica var. aspleniifolia een tak van de var. grandidentata ') • ook worden beide vormen wel op eenzelfden boom gevonden met bovendien nog takken, die de kenmerken der var. comptoniifolia vertoonen2); hier treden de verschillen dus sprongsgewijs op; terwijl bij de var. castanaefolia de bladvorm partieel sterk varieert, soms bijna niet, soms tot de middennerf is ingesneden).

De knopvariaties, die het laciniate kenmerk betreffen, zullen waarschijnlijk grootendeels op tusschenrasvariatie berusten; bastaardsplitsing is, aangezien meestal bij gelacinieerde boomen de sexueele vermenigvuldiging gereduceerd is en in de practijk de varieteiten vooral langs vegetatieven weg voortgeplant worden, weinig waarschijnlijk. Bij sommige laciniate varieteiten treden atavistische knopvariaties geregeld op, b.v. bij de „peterseliebladige" verscheidenheden, die van eenige druiven, b.v. Gutedel 4), Marruga4) en Chasselas de Fontainebleau 5) bekend zijn. Ik

') Beissner, Mitt. Deut. Dendr. Ges. 1895 p. 43.

5) Beisner, Sitz. ber. Niederrhein. Ges. Bonn, 1898 p. 37.

3) The Gard. 1899 I p. 268.

4) Al. BrauN, Verjüngung p. 335; Dippel, Handb. d. Laubh. Bd. II p. 559.

6) Barron, Vines (1892) p. 150; Boisselot, Rev. Hort. 1865 p.46; 1877 p.371

Sluiten