Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze beschermingsobjecten zouden kunnen bedreigen1). Evenals in de latere Duitschrechtelijke omschrijving vinden wij hier het element: gevaar.

Stemt men in de litteratuur overeen wat betreft de omschrijving van hetgeen onder politie moet worden verstaan, die overeenstemming houdt op, als de vraag beantwoord moet worden, welke organen nu met die zorg, die gevarenafwending, belast zijn. Draagt Mr. Oppenheim haar op aan verordeningsbevoegde organen, welke de voorschriften hebben te geven, die de burgers zullen moeten in acht nemen in het belang der openbare rust en veiligheid, terwijl dan de uitvoerende macht, de politie, voorde uitvoering, de handhaving van die voorschriften heeft zorg te dragen2), de andere schrijvers dragen haar op aan de uitvoerende macht, wat nogal een groot verschil uitmaakt. Immers zal volgens de eerste opdracht de politic voor niets anders hebben te zorgen dan dat de openbare orde, zooals die door de verordeningen is bepaald, wordt gehandhaafd:

!) In deze omschrijving meonen wij de door verschillende schrijvers gegeven definities te mogen samenvatten. Men zie Mr. J. Bool, De politie, haar wezen en organisatie, diss. Leiden 1887; Mr. J. van Eik, De algemeene beginselen van het internationaal politierecht, diss. Leiden 1860; Mr. Hetligers, Het politiewezen in Nederland, en Handelingen dor Nederlandsche Juristen Vereeniging 1893 I; de Bosch Kemper, Handleiding; Mr. Kist, Handelingen der Nederlandsche Juristen Vereeniging 1893 I; Jhr. Mr. A. F. de Savornih Lohman, Onze Constitutie; Mr. J. Oppenheim, De politieverordening tegenover den eigendom, Rechtsgeleerd Magazijn, 1887; Mr. D. L. de Kidder, De bevoegdheid der Politie, inzonderheid in verband mot de artikelen 4, 9, 157 en 158 der Grondwet, diss. Utrecht 1894.

'-) In den zelfden zin, Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Provinciaal- en Gemeentebestuur II, bl. 411.

Sluiten