Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Idsinga voldaan, n.1. door art. 5 te schrappen ') — en dan had art. 3 van het K. B. van 11 Nov. 1836, Stbl. n°. 114, hetzelfde lot moeten deelen — dan zouden wij in den blinde rondtasten, wanneer wij wilden weten, welke ambtenaren de taak zouden hebben te vervullen, nu aan de rijkspolitie opgedragen. En zulks zou heel wat moeilijkheden opleveren bij de vraag: „rechtmatige uitoefening van bediening of niet?" 2)

L>e opmerking de lege ferenda heeft betrekking op liet verslag van de Commissie van 1898. Tot verbetering van de politie zoude zij het K. B. van 1851 willen herzien en aanvullen met eene nauwkeurige omschrijving •') van de taak der politie. Voor de politie zouden dan daaruit de bevoegdheden voortvloeien noodig voor de vervulling dier taak, en dat terwijl reeds in 1832 erkend werd, dat vooral in het Nederlandsche recht een wet een vereischte is! O.i. zou het voor de Regeering werk verrichten zijn voor niets, indien zij het advies van de Commissie opvolgde. Of zou misschien, als de Regeering het herziene en aangevulde besluit opnieuw uitvaardigde, na opneming eener nieuwe alinea in art. 190 Gem. Wet in den geest der Commissie, het besluit door dit artikel gedekt zijn?4) In geenen deele.

1) Handelingen 1902 — 1903, 11e Kamer bl. 461.

2) Prof. van Hamel, t. a. p., Tijdschrift voor Strafrecht I, bl. 276 v.

3) Zie haar verslag bl. 32 en 33.

4) Die nieuwe alinea zou aldus moeten luiden: De algemeene of rijkspolitie rust op wetten, algemeene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten en provinciale verordeningen, in overeenstemming met de Grondwet, in het algemeen belang of, wat laatstgemelde verordeningen betreft, in dat der provincie uitgevaardigd. Verslag bl. 23. Vgl. over het invoegen dezer alinea ook het opstel van Mr. J. van Gelein Vitringa

Sluiten