Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelen, als werkelijk nog iets van die bevoegheid was overgebleven, aan eene uitdrukkelijke erkenning daarvan; en zoo zulks geschiedde, aan antwoord op de vraag: welke de grenzen van die bevoegdheid waren; aan welke voorwaarden hare uitoefening gebonden zou zijn.

Die uitdrukkelijke erkenning is dan ook gekomen. Het recht verklaarde den burger alsnog bevoegd zich tegen een oogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding te verdedigen, doch onder deze voorwaarde, dat, zoodra het gevaar was geweken, de bevoegdheid verviel (confestim, non ex intervallo); verder behoefde men niet te wachten tot men aangerand werd; oogenblikkelijk dreigen was voldoende reden om tot verdediging over te gaan; welke verdediging niet alleen ten eigen behoeve, doch ook ten bate van derden gevoerd mocht worden.

Doch de „alles omvattende zorg van het openbaar gezag voor rechtsbescherming" ]) heeft het bij die eenvoudige erkenning niet kunnen laten. Het is — en vooral de stedelijke overheden schijnen het daarin zeer ver gebracht te hebben — de private rechtsverdediging zeer gaan besnoeien, hierin flink ter zijde gestaan door de wetenschap. Te ver gedreven vrees voor eigenrichting, overschatting door het openbaar gezag van zijne krachten voldoende voor de rechtsbescherming, voor de bevrediging van het rechtsgevoel zorg te kunnen dragen, heeft gemaakt, dat de bevoegdheid van het individu zich tegen wederrechtelijke, oogenblikkelijk dreigende aanrandingen te mogen verdedigen, dat de private rechtsverdediging een lange lijdensperiode heeft

1) Prof. VAN Hamel, Inleiding Nederlandsch Strafrecht I, bl. 219.

5

Sluiten