Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ring begrepen '). — Waarom? Wat is de reden, dat het publiekrecht hier zoodanige wezensverandering ondergaat? Deze: omdat anders art. 56 G.W. tot een wassen neus zou worden. In welk opzicht? Is men bang dat, als men hier rauwelijksche handhaving in het wezen van het publiekrecht opgesloten acht, de Koning zelfstandig bindende voorschriften voor de burgers zal uitvaardigen? Dan gelooven wij toch, dat men zich onnoodig bezorgd maakt. Immers het zal toch wel bij niemand opkomen, antwoord op de vraag: is de Koning daartoe bevoegd? te halen uit het al of niet in de natuur van het publiekrecht opgesloten liggen van de bevoegdheid tot parate executie; niemand zal toch de bevoegdheid tot het voorschrijven van gedragsregels aan de burgers afhankelijk maken van de vraag, of de naleving van die voorschriften afgedwongen kan worden zonder voorafgaand rechterlijk onderzoek, zonder vonnis? Toch zou men kunnen staande houden, dat parate executie niet inhaerent is aan de uitvoering van algemeene maatregelen van bestuur en wel op grond van art. 3 der wet van 28 Febr. 1891, Stbl. no. 69 (tot vaststelling van bepalingen betreffende Rijkswaterstaatswerken); doch dit alleen dan, indien men de kracht van dit en dergelijke artikelen (bijv. art. 180 Gem. Wet) niet uitsluitend ziet in het geven van het recht tot kostenverhaal; doet men dit echter wel — en het is niet in te zien, waarom art. 180 Gem. Wet iets anders zou geven dan art. 3 cit. — dan blijft het onbegrijpelijk, waarom het publiekrecht, dat zijn uitdrukking vindt in

!) Prof. Oppenheim in Mrs. Röell en Oppenheim , Bijdrage tot de regeling der Administratieve Rechtspraak I, bl. 174.

Sluiten