Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de mouw te steken, als die rechten aan oogenblikkelijk dreigend gevaar bloot staan '), doch haar die bevoegdheid niet toekomen, indien zulks niet het geval is. Dan zal, zoo niet vrijwillig aan de wettelijke verplichtingen wordt voldaan, een rechterlijk vonnis noodig zijn, vöör tot het afdwingen van die verplichtingen zal kunnen worden overgegaan, al moge het dan waarschijnlijk2) zijn, dat de administratie het recht aan haar kant heeft en niet de particulier. Want het is niet in te zien waarom, als bijv. een hnis gebouwd is op een plaats, waar het naar de meening van de administratie in strijd met een wettelijk voorschrift is opgericht, en bij het afbreken geen haast is, de burger maar moet beginnen het huis rustigjes door de administratie te laten afbreken om, voor het geval de administratie zich eens vergist mocht hebben, na afbraak „bij den rechter herstel van grieven te vragen"3). Dat hier veel „nadeel aan den geregelden gang van zaken toegebracht" 4) zou worden, kunnen wij niet toegeven.

!) Vgl. art. 180 al. 2 Gem. Wet en art. 42 Wet Algemeene regels "Waterstaatsbestuur.

2) Mr. J. van Gelein Vitringa . Rechtspraak of bestuur?, Rechtsgeleerd Magazijn 1900, bl. 578 y.v.; Mr. J. B. Kas, t. a. p., Rechtsgeleerd Magazijn 1897, bl. 345.

8) Mr. J. van Gelein Viteinoa, t. a. p.

4) Mr. J. van Gei.ein Vitringa, t. a. p.. Evenzoo § 3 no. 1 van de Memorie van Toelichting op het ontwerp-Wetboek van Administratieve Rechtsvordering. Mr. J. van Gei.ein Vitringa (Themis 1905, bl. 25 noot) noemt de argumenten door de Staatscommissie voor de administratieve rechtspraak aangevoerd voor de enumeratie-methode „maar bijzaak"; hoofdargument was: onttrekking der administratie aan de controle van den rechter. „Maar bijzaak". Zou dit ook niet passen op het argument van de Memorie van Toelichting, dat als men regeling der administratieve

Sluiten