Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Róps heeft in den 2e" en 3en p. sing. praes. regelmatig umlaut: reups, reup. lmperat. róp roep, roept. Praet. rep. Part. gsróps.

Zwak zijn:

greujs groeien; greujds, gsgreujd.

vloks vloeken; vlógds, gjvlok.

111. Werkwoorden met verschoven praeteritum.

1. Weten.

§ 221. Infin. wè'its naast wets; de infin. evenals de plur. ind. en het part. hebben, naast regelmatig t" (uit germ. ï), è'i ontleend aan den len pers. sing. pr. ind. weit. De 2" en 3e p. sing. praes. en de 2e p. pl. verkorten de stamvocaal tot è: wèts, wèt; le en 3e p. pl. praes. wè'its, wèts. Part. gswè'its, gswc'ts. Praet. le p. sing. wis, le p. pl. wists.

2. Kunnen.

§ 222. Infin. kónns; le en 3e pers. praes. kan, 2e p. sing. kans; le en 3e p. pl. kónns, 2e p. pl. kont. Uit dit schema ontwikkelden zich twee verba: le kans, 2e kónns, met den stamklinker in alle personen doorgevoerd.

Praet. kós, pl. kósti (met syncope van //). Part. gjkós.

Dat het praet. kant, plur. kant.), een praet. met rückumlaut is bij kin/u (zie § 238), en geen praet. bij kam kunnen, blijkt hieruit, dat het nooit voorkomt in de beteekenis van kunnen, terwijl overigens de vormen van kunnen en kennen door elkaar gebruikt worden, b.v: vjr kinds, kants, kósts iich net wij kenden u niet.

3. Durven.

§ 223. Dörrsvs durven, is geheel zwak: dörrsvds, gsdörrsf.

4. Zullen.

§ 224. Infin. Zölls naast za'ls, onder invloed van den le" en 3en pers. sing. zai; 2e pers. sing. zals, zöls\ le en 3e p. pl. zölls, za'ls; 2e p. pl. zött, zalt. Praet. zo uw, zouws.

5. Mogen.

§ 225. Bij mogen is eveneens de klinker van den le" en 3en

Sluiten