Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bebbalka. 2) Bad, bad.

Baden, baoja.

Bagijn, ba gein. 3) Bak, bak. 4)

bak. 5)

Bakken, bakka.

Bakker, bekkar.

Bakkes, bakkas.

Bal (m), ba l.

Bal (onz.), bal. (vr.). Balein, balein.

Balk, ba'lik.

Band, ba'nd.

Bang, bang. b).

Bank, bank.

Bankier, banker.

Bankroet, bankrot.

Barak, brak.

Barbara, Berab.

Barbeel, be'rab.

Barbier, berrabër. Barmhartig, bemmechtag.

Barrevoets, bemveuts.

Barsten, bërsta.

Barst, bö'rs.

batraof. 7).

bats. 8)

Bazelen, bazala.

Bed, bed.

Bedelaar, bedaler.

Bedelen, bedala.

Bederven, baderava.

Bedienen, ba de na. 9) Bedriegen, badrega.

Bedroefd, badrenf.

Beek, bek.

Beeld, beid.

Been, brin.

Beer (mannetjesvarken), bier. Beer (verscheurend dier), ber. Beest, bies (vr.).

biestarèij. ,0)

Beet, bet. u)

Bef, bef.

- bagaoja. I2)

2) subst. neutr. met de bet: praatziek mondje. 3) steeds met de bet: geestelijke erde-zuster. 4) dim. zonder umlaut: bakska met de bet: vloeistof maat; zie de Bo i. v. bak. 5) subst. neutr: jong

varken, mul. bagge; gewoonl. in de samenst. spebak speenvarken.

6) ook als subst. masc. met de bet: vrees; höb nier grina bang

wees maar niet bevreesd. 7) oorspr. wel: losser van steenkolen

aan het bat , d. i. kaaimuur, langs de Maas; thans alleen als

scheldwoord met de bet: straatvlegel; syn. batjakkar; zie ook A.

van de Water i. v. battraaf. 8) subst. fem: dij, bil, van mensch

en dier. 9) ook met de bet: voorzien van de Sacramenten der

stervenden. 10) beestachtigheid, laagheid. 11) dim. bitsa, bittaka; gró'ndbrt höbba vischterm: met den haak aan steenen of struiken

vastzitten. 12) mnl. begaden; met de bet: bevuilen, smerig maken

toetakelen; zie de Bo i. v.

6

Sluiten