Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gramper. 40)

Grap, grap.

Gras, gras.

Graven, graovj.

Greb, gröb.

Grens, grens.

Grijnen, grèini. 41)

Grijs, gris.

Groeien, greup.

Groen, greun.

Groente, greuntJ, pl. grcuntos. Groeze, gros. 42)

Grof, grof.

groffilsnagal. 43)

groffiejaot (vr.). 44) Grond, gr&nd.

Groot, groet.

Grootscli, griits. 45)

Grootte, griidds.

Gruis, grus. 46)

göbbjlj. 47)

Gultien (subst.), gö'ldj. 4S) Gulzig, gd/zjg.

Gunnen, gunna.

gössj/j. 4")

H.

Haak, haok.

Haan, haoit.

Haar (znw.), haor.

Haar (vnw.), haor.

Haard, hërd.

Haas, Itaos.

Haast (bijw.), hoos.

Haat, luit.

Hagel, hagjl.

Hak (hiel), hak.

Halen, höio.

Half, haf naast halhf.

haijpng. ')

Hals, ha'ls.

Hamel (schaap), hanul. Hamer, hanul.

Hand, hand.

Handgeld, ha ndgeld. 2) Handelaar, hendjlcr. Handig, hendjg.

I

4") fra. grand-père. 41) boos kijken, een zuur gezicht trekken. 42) alleen met de bet: graszode; zie: Franck i. v. groeze. ") kruidnagel; zie: de Bo, Jongeneel, Kiliaen i. v. 44) anjelier, zie Schuermans i. v. groft'iaat. 45) met de bet: trotsch, hoovaardig. *») steenkolengruis. 4T) braken, overgeven, zie Jongeneel Wdl. pag. 23; uitdr: nao do Göbbilstraot go'ii moeten braken. 4S) ook göl/j, als het woord in den zin geen nadruk heeft, b.v. jiu gölh fifijg doch è'inj gö'ldj. 4") morsen; zie de Bo i. v. gusselen.

H. ') eigenlijk: pachter, die de helft van zijn vruchten als pacht betaalt; zie: Kiliaen i. v. half-win; de Bo i. v. halfwinning; het woord is algemeen in gebruik voor pachter. 2) handgeld gêvj de eerste inkoopen doen in een pas geopenden winkel, gewoonl. van buren en vrienden.

Sluiten