Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vervelen, varfêb.

Verwegen, vjrwêgj. 23)

— — vjrwêtubroed (zonder meervoud). 24)

Verwijten, vsrwitj.

Verwurgen, varwörragi. Verzuimen, vorzoumo.

Vesper, vespjr.

Vet, vet.

vets (vr.). 25)

Veulen, vewte.

Vier, ver.

— — viedil (onz.). 26)

viedjh. 21)

Vieren, viers.

Vies, vèis.

Vijf, vïf Vijftig, fiftjg.

Vijg, vèig.

Vijl, vèil.

Vijver, vïvar.

Villen, vèll3.

Vilt, vtlt.

Vinden, vvndd.

Vinger, vïngjr.

Vink, vink.

Viool (bloem), fojoel.

Viool (vedel), viejol.

Visch, vvs.

Vlade, vlaoj. 28)

Vlak (bvnw. en bijw.), vlak.

Vlam, vlam.

Vlecht, vlöch.

Vlechten, vlöchtj.

Vledermuis, flërmoes.

Vleesch, vit is.

Vlegel, vlegjl.

Vleien, flejp.

Vlek (vlak), vlek.

Vleugel, vleiïgjl.

Vlieg, vlèg.

Vliegen, vlègi.

Vlier, fier.

Vloek, vlok.

Vloeken, vlöko.

Vloer, vloer.

Vlok, vlok.

Vloo, vloej.

Vlucht, vlöch.

Vlug, vlök.

Vocht, voch (vr.). 29)

Voeder, vör.

23) reflex: zich verroeren; niet alleen in den infinitief; zie van Dale i. v.; vgl. ook A. vau de Water i. v. VJrwégJ. "2') geweekte beschuit met eierdooiers gebakken; een soort wentelteefjes; zie Jongeneel pag. 67.2r') vezel, pluisje; gèin vets geen zier, niets; zie Onze Vol kst. II. 241. '20) eig. = vierdedeel van 100; een viedal is echter steeds 26 stuks; als lengtemaat = '/4 el. 27) eig. = in vier deelen snijden; doch steeds met de bet: ergens in kerven. 28) de vlaoj speelt in heel Limburg een groote rol, vooral bij gelegenheid der kermis; het is een gebak van ronden vorm, met een dikke korst als rand; naar gelang van de spèis, die het gebak dekt, spreekt men van riste-, krrsj-, proenu-, moijbjrjvlaoj. 29) met de bet: vochtigheid;

Sluiten