Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII.

Terecht verbeterde Dr. J. H. Kern: Limb. Serm: 154c, den vorm liichde (fulsit) in luchde (d. i. liigdj).

IX.

De eigenaardige vorming van liet imperfectum der zwakke verba in het behandelde dialect (zie Proefschrift § 233 vlgg.), geeft ons het recht aan te nenien dat vormen als: wencde, gelaclide, berespde, sweitde (Kern: Limb. Serm § 115), uitgesproken werden als: ivengdd (ng — gutturale nasaal + media) galagdj, bjrezbdj, zweiddj.

X.

van Lennep heeft in Vondel's: „Bespiegelingen van Godt en Oodtsdienst" boek III vers 1035 en elders, het onderscheid tusschen forin en vorm niet begrepen.

XI.

Ten onrechte wordt de s in binnensmonds vaak als adverbiaal opgevat.

XII.

Ten onrechte hebben de levensbeschrijvers van Jan Luiken over't hoofd gezien, dat ook hij behoord heeft tot de „vrijgeesten' van zijn tijd.

XIII.

Er bestaat geen bezwaar tegen, om den Attischen genitief-uitgang cv en het Homerische st: op één grondvorm terug te voeren.

XIV.

Qr. xi ttu en ti t:u<xi, sanskr. patati hij vliegt, moeten tot verschillende wortels worden teruggebracht.

XV.

Ndl. klingen dorre duinen, volgens F ra nek en Vercoullie i. v. van onbekenden oorsprong, gaat terug op een wortel *glenk« zich winden, slingeren.

Sluiten