Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bldz.

Het pronomen als praedicaat § 38—39 22

pron. poss. als praedicaat § 38 22

Het praedicaat van het subject in den

accusatief § 39 23

Adverbia als praedicaat § 40 23

Adverbiale uitdrukkingen als praedicaat... § 41 23—24

Infinitief als praedicaat § 42—48 24—27

infinitief zonder te als praedicaat § 42 24

infinitief met te als praedicaat § 43—44 24—25

infinitief zonder te als praedicaat van het

object § 45—47 25—26

infinitief als praedicaat vervangen door een

partic. pass § 48 26—27

Het substantief als praedicaat § 49—51 27—29

substantief als praedicaat van het subject § 49 27

substantief als praedicaat van het object § 50 28

infinitief zonder te als praedicaat § 51 28

Bijvoeglijke Bepaling 29—70

Het adjectief als attribuut § 52—71 29—41

plaats en verbuiging van het adjectief als

attribuut § 52—59 29—34

stoffelijke adjectieven § 60 34

adjectief als attribuut, onverbogen § 61 34—35

l als attribuut § 62 35

beide )

ander als attribuut § 63 35—36

eigen als attribuut § 64 36

{°Uj ' als attribuut § 65 36—37

kyd )

adjectief in den comparatief als attribuut... § 66 37

adjectief in den superlatief als attribuut... § 67 37—38

verleden deelwoord, attributief gebruikt... § 68 38

adjectieven, nooit attributief voorkomende § 69 38

leed attributief gebruikt § 70 38—39

goe — qua — snoo — doo — roo — bree —

wree — vroe — fray en moy als attribuut § 71 39—41 Het bijvoeglijk voornaamwoord als attribuut § 72—86 41—49

verbuiging van het bijvoeglijk voornaamwoord als attribuut § 72 41

plaats van het bijvoeglijk voornaamwoord

als attribuut § 73—74 41

pron. poss. als attribuut § 75 41

dijn als attribuut § 76 41—42

haar als poss. pron § 77—78 42—44

'

Sluiten