Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

felijcken God! (ibid. 2126). Ghy styven ouden bloet. (ibid. 2485). O dien oude draf-sack! (Moortje 906). Och lieven Heer! (ibid. 2801). Robbert, rayn goeyen knecht. (Spa. Brab. 906). Gy ouwen saggelaar. (ibid. 1824). Beleefden Edelman. (Stommen Ridder 1709). Vervloeckte stommen boef. (ibid. 2065). O onbeschoften bloedt! o alder-onbesuysten ! (ibid. 2199).

§ 3-

Het subject kan uitgedrukt worden door een substantief, een pronomen, een telwoord, een zelfstandig gebruikt adjectief, een participium of een infinitief.

De Werelt haat altijt de Gheest. (Rodd. ende Alph. 2572). Hy klaaght, hy vloeckt, hy smeeckt, hy kust. (ibid. 2602). Twee op een mach niet gaen. (Het daget uyt den Oosten 716). Wat schaet versocht? (Klucht vanden Molenaer 21) Veel eerelijcker is ghesweghen dati gheseyt. (Stommen Ridder 1886.) Mijn lust niet veel te singen. (Klucht vande Koe 542).

Opmerking.

Het in het Miödelnederlandsch voorkomende pron. pers. van den 2en pers. sing. du komt bij Bredero in den Nomin. slechts eenmaal voor in den vorm douw.

(Hy sprack:) douw Hoeren-soon, gheeft hier dyn gulde boghen. (Boertigh Liedt-Boeck, pag. 334, vs. 45).

Wel vindt men meermalen bij hem den Accus. dy.

Ick... hoope dy te deelen te ghelijcken. (Het daget uyt den Oosten 333). Ick worstel dan met dy. (ibid. 1220). O Schep-Heer my tot dy bekeert. (Aendachtigh Liedt-Boeck, pag. 533, vs. 37). Wildy dan niet om dy dit kommer spreecken stillen. (Rodd. ende Alph. 1757). Myn Heer! Ick love dy. (Griane 405). Om dieswil, dat ick ben helas! so verr' van dy. (ibid. 1144). Lucelle kondy soo mijn liefde tot dy mercken. (Lucelle 1394). Dat eer de donder dy verpletten sou. (Angeniet 1939).

Een' enkelen keer wordt het pron. poss. dijn i. p. v. het personale gebruikt

So ghy dijn selven kend. (Aendachtigh Liedt-Boeck, pag. 509. vs. 21).

Gewoonlijk echter wordt, zooals reeds in het Middelnederlandsch en tegenwoordig nog steeds, de pluralisvorm van het

1*

Sluiten