Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 137-

Het onbepaald voorn.wrd. wat kan als adverbiale accusatiefbepaling bij w.w. voorkomen.

Ick met mijn leven moght voldoen u wenschen wat. (Rodd. ende Alph. 2269). Nu Vader rust wat. (Griane 2656). Wat is hy toch geacht? (Lucelle 418). Wat ick hem treek, wat ick hem troon. (Stommen Ridder 1775).

§ 138.

Sommige intransatieve w.w. kunnen een substantief in den accusatief bij zich hebben, dat in stam of beteekenis met het werkwoord verwant is en dient om het begrip daarvan te versterken.

Daer heb ick... ien revs... ien gangetje egaen. (Klucht vanden Molenaer 466). En slapen d'ysre slaap. 'Angeniet 16). Of anders... sou ick veel dooden sterven. (Boertigh Liedt-Boeck, pag. 259, vs. 62) Wat sucht ick bitter suchte. (ibid., pag. 367, vs. 13). Och 't is gheen leeven dat ick leef. (De Groote Bron der Minnen, pag. 454, vs. 30). Hoewel ick sterf veel duysent dooden quaat,. (ibid., pag. 478, vs. 16). Ick wil de strenghe doot duysentmaal liever sterven. (Griane 1980). Die haar strijdt hebben gestreden. (L-ucelle 2113).

§ 139-

Bij impersonalia staat eene enkele maal een substantief in den accusatief om den vorm te kennen te geven, waarin de handeling plaats heeft.

Want het reghent heuningh. (Klucht van Symen 411).

§ 140.

Lene accusatiefbepaling in plaats van den causalen genitief komt af en toe voor. (cf. § 123, Opmerking).

§ 141-

Verschillende adjectieven, die gewoonlijk met den genitief geconstrueerd worden, komen ook met den accusatief bij zich voor. (cf. § 124, Opmerking).

6*

Sluiten