Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twee gaar fluxse lien, en dat ick u daar by soo gantsch alleen moet sien. (ibid. 1296). Maar moght ick mijn lieer een hallifjaar eens zijn, en dat ghy soo langh waart inde plaats van mijn. (ibid. 1718). Als wy met vrye wil haar gheven in ons sinnen, en dat ghy sonder leyt my eerüjck wouwt beminnen, (ibid. 2279). Ja selfs soose op heur dood-bedt lach, en dat Doctor jan... heur ...water besach. (Klucht van Symen 20). Als de Prins... uyt het lant vertrock,... en dat d Hollantsche Steden, den grooten overlast,... leden. (Moortje 135). En als hy somtijts wouw eens nemen zijn vermaeck..., of dat hy wouw wtspannen. (ibid. 1174). Als twee op d'ander staaren, en dat het swinckje recht elckander wel genioet. (Lucelle 179). Mocht ick de Gouden Zaaien doen op der aarden daalen : en dat my niets mocht faalen. (De Groote Bron der Minnen, pag. 377, vs. 3).

§ 209.

Na het werkwoord twijfelen komt eene enkele maal de conjunctie dat voor, in plaats van of.

Ick twyfel... dat ghy een ander hebt verkoren. (Rodd. ende Alph. 79). lek twyffel niet dat ghy te straffen zoudet schuwen. (Stommen Ridder 2143).

§ 210.

Soms wordt dat overtollig gebruikt, als er reeds een verbindingswoord in den bijzin voorkomt.

Zoo vindt men dat gebezigd :

i°. Na een vragend voorn.wrd. in afhankelijke vraagzinnen, of na een relativum.

Dat ick mijn selven vroegh, wat dat de Dienst-maaght deed? (Rodd. ende Alph. 334). Wat duysent Fransoysen weten de Luy wat dat mijn is? (ibid. 391). Ja maar, wat datje seght. (ibid. 422). Wat roertet vemant van wat veruw dat mijn kliedt is? (ibid. 429). Wat roertet jouw dras-broeck wat dat ick laat of doe? (ibid. 455). Jy moet sien tegen wie datje dat spreekt, (ibid1. 460). Ick geefje te raen wat dat sver van seyt. (ibid. 479). Wat dat hy heeft ghedaan. (ibid. 519)- Wilt toch eens overlegghen, wat dat den Adel sal van uwe stoutheyt segghen? (Griane 173). Wat jonst dat mijn gheschiet, 't is enckel groot verdriet, (ibid. 196). Men sietet veeltijts 't geen dat een gierich mensch bespaart. (Klucht vande Koe 367). Of je most innemen, seyd hy, hetgeen dat ick je in sel geven. (Klucht van Symen 22). Wiens maachdom dat ick hoop te plucken. (Lucelle 56).

Sluiten