Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 212.

0f(t) wordt gebruikt, waar w^ij dat zouden bezigen.

Och, of ick soo wis en wel beslooten hadt. (Het daget uyt den Oosten 1440). Och of ghv deelachtich waert die vrucht. (Boertigh Liedt-Boeck, pag. 316, vs. 46). Och oft noch soo gheviel dat ghy u eens wout wenden. (De Groote Bron der Minnen, pag. 425, vs. 29). Och of mijn God met kunst soo rijckclijck bedeelden. (Aendachtigh Liedt-Boeck, pag. 53,1, vs. 7). Mog'lijck oft die persoon is. (Moortje 1044). Mogelijck of ick hem daar vrunl schap mede doe. (ibid. 1577). En moghelyck of ick met verdrach van sinnen... sal winnen, (ibid. 2313). En of God wilde. [Spa. Brab. 902). Ach! of de goede Goon u tong wilden ontbinden. (Stommen Ridder 2008). Ick neem nu, of het waar al waarheyt inder daat. (Angeniet 562). Och oft nature had de mannen stom geboren, (ibid. 799)' Ach '. oft u wille waar. (Rodd. ende Alph. 156). Op hoop of ghy daar uyt wat varsche kracht moght putiren. (ibid. 1302). Misschien of ghy daar door dan noch veel stercker wert. (ibid. 1304)- Ach! of de Sonne quam. (ibid. 1473).

I 213.

Of wordt gebruikt, waar wij zouden bezigen gesteld dat.

Of u myn Vrouw onlangs also ter luere stelden, moet dat d'onnoosel maacht so jammerlijck ontgelden? (Moortje 1846). Of mijn Toon, of myn Duym was doodt, ...souw daarom (dat vraagh ick) mijn hielle Lijf niet deuglien? (Rodd. ende Alph. 514) .

I 214.

De twee deelen der conjunctie ofschoon (met de bijvormen alschoon, datschoon) worden vaak door het subject of een ander zinsdeel van den bijzin gescheiden.

Of 't schoon zyn sothevt mint. (Griane 1420). En offer schoon een huvs vol malle kveren of komen. (Lucelle 421). Maer of ick schoon so mal noch worden, (ibid. 472). Al is hy schoon welsprekend. (ibid. 901). Al hadden schoon zijn ouwers een weynig gevrybuyt. (ibid. 913). Al is sy schoon al schoon, (ibid. 1412). Al is sy schoon wat wreet. (ibid. 1972). Al waert schoon dat ghy... (Het daget uyt den Oosten 161). Al levdt hy schoon vermandt. (ibid. 773). Al haddv schoon u lief. (ibid. 15S2). Doch of ghy 't schoon al riedt. (Nederduytsche' Rijmen, pag. 87, vs. 139). Al

Sluiten