Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook duidelijk zijn, wat er wel de oorzaak van is, dat een partij kan komen te staan voor den bewijslast van een negatief. Dit is een uitvloeisel niet alleen van de leer van den bewijslast, maar evenzeer van de leer van pleading. Waarom berustte in het geval van de »noncommunication of material facts" in ons verzekeringsvoorbeeld het bewijs van de »non-communication" op den verzekeraar ? Eenvoudig omdat de verzekeraar den hierin verscholen rechtsnorm voor zich in wilde roepen. Bovendien zou men kunnen redeneeren, dat aan den verzekerde alleen te bewijzen staat het naar de praktijk eenvoudigste geval, waarbij geen bedrog voorkomt. Dat in casu metterdaad non-coinmunication van zekere feiten had plaats gehad, viel daarmee als uitzonderingsgeval ten laste van den verzekeraar.

Onze leer blijkt tot dusver voor bewijslast en voor pleading dezelfde. Al brengen wij de kwestie van den bewijslast terug op de pleadings, daarmee verliest de leer van het eerstgenoemde echter niet haar belang. Reeds boven, in mijn hoofdstuk over df. conclusies, wees ik op den omvang van de door iedere partij te stellen feiten. Na de vele verhandelingen die reeds op het gebied van den bewijslast, in het algemeen en naar moderne opvattingen bestaan, behoef ik hierop niet in bijzonderheden terug te komen.

Ook mij, ik toonde het reeds in het tweede hoofdstuk, lijkt de theorie van norm en tegennorm veel bruikbaars te bevatten. Wel blijft men voor de moeilijkheid staan, wat nu eigenlijk die Mindest-thatbestand is. De wet zal in den regel uitkomst geven, maar m.i. niet geheel. Ten slotte is hier een kwestie van praktijk. Steeds zal de rechter zich dienen af te vragen :

Sluiten