Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den voorbereid te zijn. Zaak blijft het steeds, eenigszins ruim voorzien van bewijsmateriaal ten trial te komen. Zal dit nu onredelijke kostcnvermeerdering ten gevolde hebben? Ten slotte is hier ecu kwestie van scherpzinnigheid, routine en „flair", die de advocaten den juiste** weg zal wijzen, maar een bewijs-interlocutoir noem ik dan werkelijk overbodig.

In verband met den bewijslast dien ik nog te wijzen op ccn versnippering van het proces in Nederland, die van de bewijslastverspringing het gevolg is. Dit euvel is te wijten aan het principe van de onsplitsbaarheid der bekentenis. Zoo ergers ter wereld de splitsbaarheid goede vruchten zou dragen, dan zeker hier te lande. Iedere enquête of contra-enquête toch eischt thans nog afzonderlijke behandeling. Wat een besparing van kosten en tijd zou het zijn , wanneer steeds de bekentenis van bewijs ontsloeg. Zeer wel is het mogelijk, dat het bewijs-alleen drie of vier zittingen kost. Dan zal de rechter zich viermaal opnieuw in de zaak dienen in te werken. Waar blijft de eenheid van al die indrukken : Alles wordt een overstelpende papiermasse, krijgt een dor en droog aanzien. Rechterlijk doorzicht en kijk op de zaak worden tot een minimum teruggebracht1).

') Ik kan de leer van den bewijslast niet verlaten, zonder nog in 't bizonder een noot te wijden aan het recente, reeds eenige malen geciteerde werk over den bewijslast van Frans Leonhard. Om zijn uitvoerigheid (552 blz.) en zijn grondige behandeling van deze leer kan ik de lezing ervan aan ieder aanbevelen. Ook is opmerkelijk dat L. een geheel zelfstandige positie inneemt onder de schrijvers over dit onderwerp. Hij vordert van den eischer het bewijs van het bestaan van alle elementen van zjjn vorderingsrecht ; op deze partij drukt volgens hem de last de feiten voor de „Wirkung" ervan aan te toonen. Op den gedaagde valt het

Sluiten