Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenig bewijs is om de jury voorgelegd te worden, en evenzeer of zeker bewijs toelaatbaar is.

Dat het ondervragen der getuigen in den regel door de advocaten plaats vindt, sluit geen verbod voor den rechter in, de getuigen zelf te ondervragen. De Hollandsche lezer moet niet denken, dat de rechter op den trial een doodsch stilzwijgen in acht neemt. Meer of minder hangt zijn spraakzaamheid natuurlijk af van zijn aard en karakter; de meeste rechters van het High Court leggen echter een flinke duit in het zakje. Zoo verstaan ook sommige van hen de kunst aan de behandeling der zaak de noodige vroolijkheid en smakelijkheid bij te zetten1).

Een dankbare, zeer geldige reden om zich te doen gelden bestaat, wanneer de getuige niet spoedig de door een advocaat gestelde vraag begrijpt, hetzij door de onduidelijkheid van den ondervrager, hetzij door eigen mindere scherpzinnigheid. Komt de rechter hier te' wille van de snelheid van het verhoor tusschenbcide, ook het gedrag van hem, die de zaak leidt, kan tot ongeduld prikkelen. Zoo zal hij irrelevante vragen den pas afsnijden. Spoedig gaat hij hier niet toe over, want de grens tusschen „relevant' en „irrelevant'' is onzeker, en zoo veel mogelijk laat men partijen de vrije hand in de ontvouwing van haar standpunt. De rechter kan eenig ongeduld ook in dezen vorm uiten: Wat hebt ge met deze vraag voor? of, gesteld getuige antwoordt in bevestigenden zin, wat dan nog? Zoo is hij erop uit het proces zijn snelste verloop te doen hebben.

') Dit vooral aan het adres van den populairen Sir Darling, de schrijver der Scintillae Juris.

Sluiten