Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet komen zal, dat het volk, wat den schoonsten en rijksten veestapel van Europa bezit, in de noodzakelijkheid zal worden gebracht, om de paardeschonken aan de vossen en kraayen en aan de karrenhonden in Noord-Holland te betwisten !" staat in Sloet's Tijdschrift dier dagen te lezen. ')

Waar dergelijke toestanden heerschen, is het natuurlijk, dat de stad zich in dit tijdperk niet uitbreidt, en nieuwe steden niet ontstaan.

Amsterdam, telt i Januari 1830: 202,364 inwoners. De bevolking neemt van 1830 tot 1840 slechts met 4,4%, in de volgende tien jaren met 60/o toe.

Het accres der Rotterdamsche bevolking is grooter, doch ook van weinig beteekenis. Het bedraagt 8°/0 in het eersteen 15,3% in het tweede decennium.

In andere steden is de bevolking stationnair, of neemt zij zelfs eenigermate af. Breda, 's-Hertogenbosch, Dordrecht, Gouda, Leiden, Utrecht en Maastricht tellen in 1849 minder inwoners dan in 1839; en het inwonertal van Tilburg, Nijmegen, Schiedam, Zaandam, Enschede en Groningen is in deze periode zoo goed als niet vermeerderd. In geheel Nederland bedraagt de toeneming der

') Ibidem, deel X, p. 227.

Sluiten