Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de eerste stad neemt het aantal inklaringen van 1850 tot 1859 voortdurend af (2000 schepen in 1850 en 1763 in 1859). De tonnenmaat is met schommelingen weinig gestegen.

Het aantal uitklaringen gaat, zoowel wat schepen als tonnenmaat betreft, weinig vooruit; alleen in 1858 en 1859 kan van vermeerdering sprake zijn.

De geringe vaart op de Oostzee, die van deze stad uitgaat, heeft tot de vermindering medegewerkt, maar zeker niet minder de gebrekkige verbinding met de Noordzee. Het Noord-Hollandsch kanaal is te smal en te ondiep voor de steeds grooter wordende schepen, en de weg over de Zuiderzee is lang en bezwarend. Vissering had al in 184S van de doorgraving van Holland op zijn smalst gedroomd!

Rotterdam echter, door de breede Maas goed

o

met Duitschland verbonden en voor den zeehandel gunstiger dan Amsterdam gelegen, ziet Rijnvaart en zeevaart toenemen. Drie en vijftig percent van de voorbij Lobith opwaarts gevoerde goederen kwamen in 1852 reeds uit Rotterdam, in 1858 was het aandeel der Maasstad tot 74% gestegen. De toenemende vaart op Engeland, waarheen Nederland steeds meer vee en zuivelproducten uitvoert, maakt het mogelijk, dat het aantal ingeklaarde schepen in de Maasstad in deze tien

Sluiten