Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het stijgend verbruik van goud en zilver, dat zijn maximum in de periode 1872/1876 bereikt, vloeit volgens den inspecteur van den waarborg uit de kooplust der landbouwers en hun snel stijgenden rijkdom voort. De verslagen der marktsteden, zooals van Delft, brengen de levendige nering in goud- en zilverwerken in verband met de vraag naar weeldeartikelen der plattelandsbewoners.

Ook dalen in tal van steden de armenlasten. Te Amsterdam verminderen zij van f 1,69 per hoofd der bevolking in 1868 tot ƒ 1,58 in 1879^ En het gemeenteverslag van Haarlem maakt in 1880 met vreugde van het feit melding, dat de kosten van het armwezen voor 1S81 op ƒ33,418 zijn geraamd, terwijl zij in 1851 op f 75,500 waren begroot, hoewel de bevolking toen nog geen */3 van het zielental van 1880 uitmaakte.

In deze jaren ondergaat het uiterlijk van sommige steden groote wijzigingen.

Omstreeks 1860 maakt menin vele gemeenten een aanvang met den uitleg en ombouw der stad.

Amsterdam's vergrooting dagteekent van 1864, toen de concessie van den bouw op het voormalige ooster- en westerbolwerk, een jaar tevoren aan Sarphati verleend, overgedragen werd aan de Nederlandsche Bouwmaatschappij. Na de

Sluiten