Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toncs", dan ligt dat misschien ook voor een deeli) hieraan, dat hij geen krijgstrompet hoorde, die kon verhinderen, dat „all the strains of this world's music resolve themselves into that tone (of sadness)."

In October 1837 werd Robertson student.

Hij had zich een te hoog ideaal gevormd van het zedelijk en intellectueel leven der studenten, en het kon wel niet anders of een geest als Robertson moest spoedig bittere ervaringen opdoen. In een brief schrijft hij over: „something excessively chilling", ecne verstijvende koude, „die haar killen adem aan alles meedeelt-)." Het gevolg hiervan was, dat hij zich niet alleen steeds meer terugtrok uit het openbare leven, en zich bepaalde tot een kleineren kring, waarin hij zich thuis gevoelde, maar ook, dat hij, door zich zelf voortdurend een hoog ideaal voor te houden en anderen hieraan te toetsen, dikwijls een terneerdrukkend gevoel van tekortkoming kreeg, wat hem zélf betrof, en steeds pijnlijker ontwaarde, hoe ver ook zijne omgeving beneden een redelijken standaard bleef.

Dit alles te zamen gaf hem meermalen een smartelijk gevoel van teleurstelling en verdonkerde de tint van somberheid, die over zijn leven was uitgespreid. Het was een nog weinig bepaald gevoel, wortelend in een in aanleg diep gemoed en in een fijn zedelijk besef, en gevoed door eene levendige verbeelding. Het kon wel niet anders of iemand van dezen stempel moest gedurig op pijnlijke wijze worden gewond.

J) Mijns inziens drukt Prof. j. H. Gunning Jr. zich te sterk uit, als hij zegt in een fraai artikel over Robertson (in „Stemmen voor Waarheid en Vrede", jaarg. 1870), onder den geestigen en juisten titel: „een ridder in het leeraarskleed": deze verloochening van den liefsten wensch is eigenlijk de verklaring zijns levens, het geheim der mengeling van melancholie en kracht, die Robertsons gansche bestaan kenmerkt, blz. 10S1.

Life and Letters, p. 29.

Sluiten