Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegeven, zij, aan wie het was opgedragen „met van geestdrift gloeiende harten" de groote, eerste grondbeginselen te geven, die voor alle tijden zouden gelden i). Dit was hun eigenlijke taak, en doordat zij die eeuwige beginselen vonden in het tegenwoordige en vergankelijke, kon het wel niet anders, of zij moesten ook het toekomstige voorspellen.

Maar uit dit alles volgt volstrekt niet, dat deze inspiratie gelijkwaardig is met onfeilbaarheid.

Vooreerst moest God wel beginnen met de elementaire grondslagen der zedelijke en godsdienstige waarheden; ook de menschheid heeft eene jeugd gehad en in dien tijd kon zij niet opnemen, wat zou behooren tot eene latere periode. Zoo was het bv. noodzakelijk, dat deze openbaringen gepaard gingen met onnauwkeurigheden op wetenschappelijk gebied. Hoe had de waarheid, vervat in de scheppingsverhalen, kunnen samengaan met eene kosmogonie, die voldeed aan de eischen der hedendaagsche wetenschap, of liever, die overeenkwam met de waarheid op dit gebied.

Men had er onmogelijk iets van kunnen verstaan, en dat niet alleen, maar men zou bij de toenmalige wereldbeschouwing gevraagd hebben: hoe kunnen wij deze openbaring van God aangaande zijne natuur en onzen plicht als waar erkennen, wanneer zij in zulke bekende dagelijksche dingen de waarheid reeds zoo geheel averechts voorstelt 2).

Maar bovendien is inspiratie niet hetzelfde als een mechanisch naspreken of opschrijven van de gesproken Goddelijke woorden ■'), zoodat de openbaring wel noodzakelijk met een menschlijk bestanddeel moest worden vermengd, en de vertolking der Godsgedachte in de ziel dus mede bepaald moest worden door het karakter en de omgeving van de schrijvers. Mozes en Calvijn

•) Zie bv. Sermons II, p. 145, V pp. 148, 231, 303, Life and Letters p. 397.

2) Zie Live and Letters, p. 400.

3) Bv. Sermons III, p. 34; Expository lectures on the Corinthians pp. 269, 369, 434; Live and Letters, p. 399.

Sluiten