Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch kan men niet ontkennen, dat in beide opvattingen waarheid schuilt.

Robertson prijst in de Roomsch-Katholieke denkbeelden over den Doop: dat deze een getuigenis zijn aangaande de uitgebreidheid van het door Christus verkregen heil, dat nl. allen, die gedoopt zijn, kinderen van God worden genoemd, al verder, dat protest wordt aangeteekend tegen de meening, alsof slechts eene enkele partij Gode zou toebehooren, en ten laatste, dat de stoffelijke dingen worden beschouwd als zinnebeelden en kanalen van de Goddelijke Tegenwoordigheid.

Den Calvinisten is Robertson dankbaar voor hun krachtig verzet tegen vormendienst, voor hun handhaven van de noodzakelijkheid van een innerlijken omkeer, voor de gemaakte onderscheiding tusschen het zijn in den toestand en het hebben van de natuur van kinderen Gods.

Aan beide systemen ligt evenwel - hoe tegenstrijdig zij ook schijnen mogen - éénzelfde dwaling ten grondslag, nl. in zooverre beide uitgaan van de meening, dat een nieuw feit in het leven wordt geroepen in plaats dat er een getuigenis wordt afgelegd van eene bestaande werkelijkheid.

En meer kan de Doop volgens hem niet zijn dan een „authoritative symbol of an eternal fact", hetwelk door Jezus is verkondigd, nl. dat de mensch als mensch kind van God is. God is „onze" Vader, elke mensch Zijn kind. Veel te lang hebben de Joden het kindschap gemonopoliseerd, waartoe zij geen recht hadden; ook de Samaritaan, hoewel vreemdeling en ketter, is kind van God; ook van de heidenen, ook van de verstootelingen der maatschappij is God de Vader. Als de jongste zoon terugkeert, geniet hij, zoodra hij de verwantschap met den Vader erkent, juist uit hoofde van zijn kindschap, al de zegeningen, die hiermee verbonden kunnen gaan.

Doch, zoo vraagt men misschien onwillekeurig, indien dit kindschap Gods een „eternal fact" moet genoemd worden en als de Doop alleen hiervan getuigenis geeft, is deze dan niet overbodig?

Neen, antwoordt Robertson, want

Sluiten