Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden niet eenvoudig veroordeeld, wat in ieders bereik ligt, maar hij poogde aan te wijzen, hoe iemand tot zulk eene verkeerde daad kon komen, welke de gevaren waren aan bepaalde betrekkingen en karakters verbonden, om niet slechts afschuw, maar ook medelijden, erbarming en deemoed op te wekken.

Ja, Robertson heeft den mensch gekend, wat blijkt uit zijn oordeel over den zedelijk hoogstaande, en hem, wiens leven door zondige daden of neigingen was bezoedeld, den godsdienstige, den twijfelaar en den ongeloovigc, den geleerde en den ongeletterde, den werker en den luien verkwistenden rijke, den jongere en den meer bejaarde. Dit is dan ook de reden, waarom hij veel minder generaliseert, dan wij gewoonlijk in preeken aantreffen. Hij noemt de deugden en zonden bij name, hij kent hunne uitwerkingen, toont aan, dat ook deze nog een verschillenden invloed kunnen uitoefenen op ongelijke karakters, en wijst er zijne hoorders op zich goed bewust te zijn van het feit, dat aan uitwendig gelijke handelingen toch geheel verschillende beweegredenen ten gronde kunnen liggen. Om te zien, op welk eene fijne wijze Robertson dit somtijds aantoont, leze men bv. eenige bladzijden over het gedrag van Rebekka en Jakob (IV pp. 132-137) en men zal bemerken, dat wij het leven aanschouwen door de oogen van een persoon, die de menschlijke ziel scherp heeft waargenomen.

Vandaar ook, dat hij gewoonlijk geene dingen zeide, die wegens hunne algemeenheid niemand zich had aan te trekken, doch hij deed duidelijk uitkomen, dat hij de enkelingen op het oog had en hij omschreef nauwkeurig, wat hij bedoelde, opdat ieder wel noodzakelijk moest gevoelen of zijne woorden al dan niet op hem van toepassing waren.

b. Vervolgens wijs ik op zijne talrijke ontledingen van karakters, eigenschappen en toestanden, die wij bijna in elke preek bij hen kunnen aantreffen, soms zeer uitgebreid, maar meer nog door enkele zinnen, die evenwel een bewijs moeten worden genoemd van zijn scherpen blik.

Men leze bv. zijne beschouwing der Fariseërs (I pp. 132- 135),

Sluiten