Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minderde, is op te maken uit het feit, dat er in 1531 voor het eerst geklaagd wordt over de boeken, die zij er in omloop brachten ; en uit hetgeen butzer in zijn brief van 11 Dec. 1531 aan Blaurer schrijft: »Oro autem te, quum hic in summum periculum venimus per sectarum homines et nunc serio cum hoe genere hominum agere oportet aut videre ecclesiam cum republica periculosissime periclitari (ita per nostram conniventiam dementarunt muitos) — scribas qua potissimum ratione tu catabaptistas in viam revoces.« ')

Bij deze vraag om voorlichting had BUTZER vooral het oog op PILGRAM MARBECK, dien hij hoopte te bekeeren. Want hij begreep wel, dat het gevaar, hetwelk de Straatsburger kerk van de kant der Doopsgezinden bedreigde, veel gemakkelijker af te wenden was, als het hem gelukte een zoo invloedrijk voorganger als MARBECK van zijne dwalingen te overtuigen. Van geen hunner leidslieden toch heeft hij meer nadeel voor zijne gemeente te duchten gehad, dan van MARBECK, die niet alleen bij zijne geloofsgenooten hoog in aanzien stond: »numinis instar colunt«, schreef BUTZER aan BLAURER, 2) maar die zelfs aan zijne tegenstanders bewondering voor zijn karakter en zijn levenswandel afdwong. De predikanten gaven omtrent hem aan den Raad deze getuigenis 3): »das er von Gott vil herrlichen gaben, und in vilen stucken ein dapferen guten eyffer hat, deswegen er auch vil gute hertzen durch sein hefftigkeit und grosz uszthun in Irrthumb geführet und darinn gehalten.» 4)

') Cokneuus, l.c., 11, s. 261.

*) CoRNELIUS, Ac., 11, S. 262. Hij dateert den brief onjuist 19 Dec 1531; dit moet zijn 19 Januari 1532, vergel. Thes. Buum., V, p. 15 v5.

«) M. A. //. E., I, fol. 318.

4) Losertii, die eene korte levensbeschrijving van Martïeck heeft gegeven (Zeitsfhr. i/es Ferdin. in Tirot u. Voratberg, 189S, S. 279 ff.) noemt hem : seinen liervorragenden Kopf, untadelhaften christlichen Wandels, in der Schrift wohlerfahren, ernsten Charakters und der zeitlichen Giiter nicht achtend«. Zie over Marheck: Z. h. T/i., 1860, S. 15 ff., 52 ff.; Coknelius, II, S. 261 f.

Sluiten