Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheid l) meent, dat er eene personificatie van liet „doel" plaats heeft.

Deze vraag is immers gerechtvaardigd, waar de fictietheorie de strekking heeft om naast den mensch, den persoon in rechtskundigen zin xuT'lgotfv, een eveneens met persoonlijkheid (zij het ook door middel van verdichting) begiftigd wezen te stellen; eenerzijds de jx'rHorta mturalis, anderzijds de persona jttridica (ticta, moralis, mystica).

Welke techniek in dit opzicht de fictieleer aanwendt, hare opvatting der rechtspersoon ontzegde deze uiteraard eenen wil; een door Gedankenoperation verpersoonlijkt doel of substraat is niet in staat eenen wil te hebben. 2)

Von Savigny3) spreekt dan ook van een „liinsffich'/i SurrogaC der ontbrekende wilsbevoegdheid.

Tegenover deze opvatting heeft, op het voetspoor van nieuwere Duitsehe rechtsbeoefenaars, eene theorie stelling genomen, volgens welke de fictie onjuist en onnoodig is.

Ook ten onzent heeft de organische leer, waarvan Beseier 4) de vader mag genoemd worden en wiens denkbeelden Gierke geleid hebben tot

!) Kritische Überschau, lid. I, l>!. 181 vlg.

2) Onomwonden wordt dit uitgesproken door Mr. Oppenheim, „Handboek voor liet Gemeenterecht," bl. 404, waar hij de zedelijke lichamen noemt: „denkbeeldige wezens, die geen eigen wil hebben".

3) System des heutigen Römischen Rechts, Bd. II, bl. 282 vlg.

') System des gemeinen deutschen Privatrechts, Bd. I. bl. 340 en vlg.

Sluiten