Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemde zaken wordt dagboek gehouden. (Artt. 342, 3° en 343, 4° Wetboek van Strafrecht.)

Art. 8. „Hij is verplicht alle jaren, binnen de zes eerste [eerste zes] maanden van elk jaar, eenen staat en balans op te maken, in een afzonderlijk daartoe bestemd register in te schrijven en eigenhandig te

onderteekenen."

Terwijl Holtius op dit art. aanteekent: „Dus geen inventaris, verg. art. 9 in den Code, en art. i 1)8 met ait.

801 alh." zonder nadere motiveering (wat immers zou uit laatstgen. artt. blijken indien men ze ook met art.

802 vergelijkt?), sluit Mr. Levy *) zich hierbij aan met een betoog, dat misschien interpretatieve beteekenis heeft voor de bepaling, zooals die luidde in art 3 van den Franschen tekst, maar toch „mijns bedunkens" niet slaat op het art. S, zooals het thans geredigeerd is (en ook in den Hollandschen tekst van het Ontwerp 20 October 1825): „staat en balans."

Wat hebben we dan ook, zou ik willen vragen, onder dien „staat' anders te verstaan dan een inventaris? 2)

De bestuurder zal telken jare eene beschrijving maken van de bestanddeelen der universitas iuris (bezittingen, vorderingen en schulden) en deze in geldswaarde uit-

1) Agh. geschrift, bl. 35 en 36.

2) In gelijken zin: Mr. Molengraaff, Leidraad I, bl. 00: „Het inventaris- („staat-") en balansregister"; Smidt Wetb. v. Strafrecht, dl. II, bl. 255, „staat of inventaris"; Hierneiss in „Handelsstudie no. 12, „onder staat wordt in dit art. bedoeld de inventaris".

Sluiten