Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aethyl- en amylalkoliol, moeilijk in azijnaether. Aether, chloroform, benzol, zwavelkoolstof onttrekken de kleurstof niet aan de waterige oplossing.

2. I )e alkoholische oplossing geeft eene absorptiestreep in het begin van het groen tusschen I) en K, verder eene verduistering van het violette gedeelte van het spektrum. Zij constateeren ook wel eene zwakke tweede streep aan het eind van het groen, doch schrijven die toe aan een spoor van urobiline.

.5. Alkaliën veranderen de roode kleur in bruin; door zuren verschijnt de roode kleur terug. Zinkstof in zure oplossing ontkleurt de roode vloeistof; hij staan aan de lucht keert de roode kleur terug.

I. De oplossing kleurt wol, waarop zij door natriumacetaat in overmaat zoodanig gehecht wordt, dat zij slechts door koken met ll2S()4-houdenden alkohol weer in oplossing komt.

Ken dergelijk onderzoek, door mij ingesteld met de z. g. skatolkleurstof, gaf dezelfde resultaten.

Het eenige punt van verschil is de bestendigheid van <Ie kleurstof. Nencki en Sielter geven aan, dat de roode kleur van urines, welke door toevoeging van IICI prachtig rose zijn, na eenige uren reeds verdwijnt en dat hij het verdampen der waterige en alkoholische oplossingen de kleurstof als bruine harsdruppels overblijft. Het z. g. skatolrood (in niet verontreinigde oplossing) daarentegen is zeer bestendig, ik heb eene zure oplossing van de kleurstof meer dan 1 '/2 jaar bewaard, zonder dat iets van de roode kleur verdween.

Vermengt men echter eene donkerrood gekleurde oplossing van de kleurstof met urine, dan blijkt ca !. vol. noodig te zijn, voordat de urine eene roode tint krijgt. De gele kleurstof der urine bedekt dus blijkbaar

Sluiten