Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bekend was. Kennis van de omstandigheden, waaronder de schuldenaar handelde, bekendheid met de voor de schuldeischers nadeelige gevolgen dier handeling, is daarom voor zooveel den derde betreft de eenige natuurlijke voorwaarde voor de nietigheid."

Ik geloof er niets van. De voornaamste — in sommige gevallen alleen voldoende — rechtsgrond voor de teruggave is niet des derden medewerking, doch het genoten voordeel.

In art. 1877 B.W., laatste lid, en in art. 44 der faillissementswet wordt dan ook de wetenschap van den begiftigde, dat door de handeling de schuldeischers benadeeld zijn, niet gevorderd. Nu zegge men niet, dat het hier geldt handelingen om niet in den letterlijken zin, en dat bij dergelijke handelingen de begiftigde altijd bedenken kan, dat er schuldeischers benadeeld kunnen worden. Op twee gronden kan dit verweer niet baten. Eerstens, als het volgens onze wet alleen aankwam op de wetenschap van het voordeel en niet van de benadeeling der schuldeischers, dan moest art. 42 ook in dien geest luiden. Het is toch zeer goed mogelijk, dat bij eene wederkeerige overeenkomst beide partijen zeer goed weten dat de eene door de overeenkomst een vermogensvoordeel geniet. Ten tweede is het heel goed mogelijk, dat de ten gevolge van eene handeling om niet, in den letterlijken zin, bevoordeelde, niet alleen niet weet van het nadeel van schuldeischers, doch ook van de geheele handeling, en daardoor van het geheelc voordeel, dat hij genoten heeft niets weet.

En wat vinden we nu bij Molengraaff ter verdediging, dat in art. 1877 B.W., laatste lid, en in art. 44 der Faillisscmentswet de medewerking des begiftigden niet vereischt

Sluiten