Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen Mr. den Tex in zijn Opstel Over revolutionair en antirevolutionair Staatsreat') met velen de vraag had gesteld „wat wil de lieer Groen toch?" en hij daarbij ook de quaestie van eene heerschende Kerk aanroerde, vulde Groen de vraag aldus aan: „Wat wilt ge? Wilt ge eene heerschende Kerk? de heerschappij van eene bepaalde Christelijke Kerk „zoodat van den Staat uitgesloten wordt al wat niet tot dien bepaalden kerkvorm of dat kerkelijk leerstelsel behoort ?" 2) Groen's antwoord luidde: „Waarlijk niet", en hij voegde er bij, dat hij zich in vroegere geschriften, waarnaar hij verwees, duidelijk en dikwijls daaromtrent had verklaard.

Waar hij reeds zoo in 1840 sprak, is het geen wonder dat hij „lasterlijke aantijging" noemde de beschuldiging in 1853 door een afgevaardigde:i) tot hem gericht, dat hij naar eene heerschende Kerk zou dingen. Telkens werd evenwel nog in latere jaren dezelfde verdenking herhaald; zoo b.v. in 1871, toen Dr. Nuijens tegen hem poleiniseerend het verwijt richtte, alsof hij „reactionair

') Nederl. Jaarboeken voor RegtsgeleerdU. en Wetgeving, door Mr. C. A. den Tex en Mr. J. van Hall, XI, 1SS49, bl. 221—231.

'■') Gkondwetherzienino en Eensgezindheid, 1849, bl. 386.

a) Mr. P. H. Stress, „afgevaardigde uit Roermond." Adv. II. bl. 332. Viermaal gaf Groen v. Pr. onder den titel: Adviezen in de Tweede Kamer der S.-G., door hem gehouden redevoeringen uit. In 1840 de op bl. 14 in noot 3 genoemde, in de z.g.n. dubbele Kamer uitgesproken. Dan in 1850 en 1851, terwijl de laatste verschenen in 1857. In die laatste serie, welke uit twee deelen bestaat. werden bijna alle vorige weder opgenomen. Voortaan is bij het citeeren uit de Adviezen met Adv. I of II steeds bedoeld die laatste serie. Waar het noodig is en het niet uit het verband in den tekst blijkt, is er bij gevoegd wanneer het een of ander is gezegd.

Sluiten