Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbreken der grondwettige gelijkheid van Roomschen en Gereformeerden begeerde." ') Tot zijne rechtvaardiging beroept hij zich weder op tal van zijne vroegere uitspraken; hoe hij b.v. „in I82i) aan Koning Willem I verklaarde: „Ware vrijheid van godsdienst moet er zijn. De overige gezindheden moeten worden beschermd tegen de ondernemingen eener, wel niet jure, maar evenwel facto, meer en meer heerschende Kerk" waarmede de Roomsche kerk werd bedoeld.

Mr. D. Koordkrs memoreert in zijne dissertatie dat Groen zich in 1830 en 1831 aldus deed hooren: „Laat vrijheid van geweten geëerbiedigd; laten alle gezindheden gelijkelijk worden beschermd." „De grondwet heeft ten aanzien der verschillende gezindheden bepalingen gemaakt, welke de christelijke verdraagzaamheid gedeeltelijk voorschrijft, gedeeltelijk niet misprijst; aan al deze beloften moet gestand worden gedaan." '-)

Eenmaal deed Groen de vraag: „Moet de afschaffing eener heerschende Kerk den weg banen om den Staat te herscheppen in eene Kerk des ongeloofs, die haar ongeloof opdringt? moeten wij aldus, terwijl er, naar het heet, geen Godsdienst van Staat meer is, inderdaad onder de

') Ned. Ged. III, bi. 358. Zonder nadere aanduiding wordt steeds de laatste reeks der Nederl. Gedachtes bedoeld, die van 18 Aug. lis(!!( tot 2$) April liS<(> loopt, en zes deelen bevat. De eerste reeks Nederl. Gedachten schreef Groen van 1829—1833. Zij bestaat uit drie deelen ieder van 40 nos., terwijl een „vierde Deel reeds met liet tweede Nummer (werd) gestaakt." Ned. Ged. V, bl. 166.

Ned. Ged. III, bl. 369, D. Koorders. De Antirevolutionaire Staatsleer van Mr. Groen van Prinsterer uit de bronnen ontwikkeld, 1860, bl. 11.

Sluiten