Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelijk inen uit het Voorloopig Verslag') kan zien, is dit punt wel besproken, Waar tot een algemeene afkeuring van de hoofdstrekking der wet, het regelen ook van kerkelijke en particuliere liefdadigheid, kwam het niet. In de Memorie van Toelichting'-) van het in December 18o3 ingediende wetsontwerp, het vierde derhalve, liet de'Regeering zich evenwel niet onduidelijk over deze quaestie uit. „Lettende op het verschil tusschen de vroegere en de tegenwoordige regeling der betrekking van de Kerk tot den Staat, kan het niet twijfelachtig zijn, of daaruit moet een verschil van wetgeving met opzigt tot het kerkelijk armbestuur voortvloeijen."

Volgens de Regeering was derhalve de kerkelijke en bijzondere liefdadigheid voor wettelijke regeling vatbaar. Groen bestreed dit en toonde aan dat door de rekbaarheid van de onmiddellijk daaropvolgende zinsnede: -de geest der Grondwet brengt mede, dat de Kerk zich zoo vrij bewege, als met de regten en verpligtingen van het Staatsgezag bestaanbaar is," de aldus aan de Kerk verleende zelfstandigheid vrijwel illusoir was.:i)

Niettegenstaande de wijzigingen door Thorbecke in zijn tweede ontwerp aangebracht, „bleef de oppositie tegen de voordragt sterk, en de aandacht was op liet onderwerp gespannen, toen het onverwacht berigt omtrent de organisatie der Roomsch-Catholieke Kerk en den Aartsbisschop van Utrecht aanleiding gaf (19 April) tot de ont-

'I 7 Sopt. 1852.

Hijlagen v. d. Handd. der S.-G. 1853 ."4, bl. 195. ') Adv. 1, 1)1. 428. Zie Adv. 11, 1)1. 307. en bl. % hierna.

Sluiten