Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene opvatting van den tegenwoordigen tijd is, dat de Kerk aan liefdadigheid doet uit broederliefde of uit een soort van godsdienstig medelijden, maar Groen zeide, dat zij aldus handelde in gehoorzaamheid aan Christus' hevel, die aan Zijne gemeente opdroeg, de armen, haar in Zijne plaats nagelaten, te verzorgen. Waar de reden, dat de Kerk hare armen helpt, zoo nauw samenhangt met haar gansche bestaan, ') was inmenging van den Staat, niet alleen in wat de Kerk zelve ondernam, maar eigenlijk in alles wat armenzorg was, niet toe te laten. Geheel vrij moet de Kerk zich op dit gebied kunnen bewegen. Die vrijheid werd gekrenkt, zoo dikwijls de Staat regels wilde stellen, waarnaar de Kerk hare liefdadigheid moest inrichten, of meende daarop een belemmerend toezicht te moeten houden, doch ook reeds door overlegging van zekere bescheiden te verlangen, teneinde te weten te komen, hoevele, soms ook: welke, personen door de Kerken werden ondersteund.

') Zie terug hl. 45. .Thr. Mr. A. F. de Savornin Lohman schreef in zijne Xota aan den Minister van Justitie, Mr. Smidt (Rechtsgeleerd Mayasijn, 1893, bl. 110): ,.De Kerk is een feit, geen rechtsbegrip. Om te weten of en in hoever de overheid bij het ordenen der rechtsbetrekkingen met haar te rekenen heeft, moet men zich eene juiste voorstelling maken van dat feit. Dat feit bestaat hierin, dat de belijders van Jezus Christus, zich beschouwende als één lichaam, waarvan Christus het hoofd is, zich verplicht achten over de geheele wereld als zoodanig op te treden. Die belijders stellen zich voor, dat hun Heer hen geleidt, hun beveelt en ambten heeft ingesteld, wier bekleeders namens Hum de belijders leiden".

Naar deze Nota verwijst hij op bl. 298 van zijn werk Ome Constitutie, waar op deze en de voorafgaande bl. 297 scherp het onderscheid tusschen „Kerk" en genootschap of vereen iging wordt geteekend.

Sluiten