Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleek o.a. uit de discussie den 18den April 1853 in de Tweede Kamer gevoerd. Met de mededeeling van een en ander uit de toen gehouden redevoeringen besluiten wij dit hoofdstuk.

Naar aanleiding van Groen's opmerking dat het systeem van „lijdelijk toezien" in de Roomsche <|uaestie „eene miskenning was van den aard der Kerk van Rome" ') zeide Minister Thorbecke: „Aan dat verwijt heeft men eene beschouwing geknoopt van de leer van dat kerkgenootschap, die, geloof ik, meer eene individuele beschouwing is, dan dat zij zou kunnen worden aangenomen als een beginsel, dat van invloed moet zijn op de handeling deiRegering. Wij hebben hier niet te spreken van het bijzondere gevoelen van dezen of genen Roomsch-Katholiek, tegenover eene godsdienstige overtuiging, die daarvan zeer verschilt. De Regering heeft niet te doen met meeningen of leerstellingen. En zoo men eene rigting in de Kerk van Rome aanwijst, waartegen waarborgen in den Staat vereischt worden, het zou niet moeijlijk zijn, leerstellingen van Protestanten aan te toonen, die, zoo zij in handelingen overgingen, niet alleen toezigt maar zelfs een strenge wering van de zijde van het Gouvernement zouden noodzakelijk maken." Die handelingen zou de Regeering afwachten, om, als ze plaats hadden, door welke Gezindheid ook, er tegen op te treden zooals dan noodig zou blijken.

Op bovenstaande woorden la.it De Nederlander s)

') Adv. II, bl. 307 e. v. ') Nkd., no.-873.

Sluiten