Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij komen 1111 tot liet liooger onderwijs, en, zooals ik reeds zeide, is liet voornamelijk de theologische faculteit der hoogescholen, welke Groen bewoog over dezen tak van onderwijs te spreken.

In het algemeen vroeg hij ook „voor bijzondere inrigtingen van liooger onderwijs" ') vrijheid, en, „voor zoover bij Houyer Onderwijn aan Ijandsinstellinyen, ook als kweekscltolett voor Staat en Maatschappij" moest gedacht worden, kon hij niet inzien, dat er in beginsel van regeling .... tusschen li ootjer en luijer onderwijs verschil . . . ." -') moest bestaan.

Over het gymnasiaal onderwijs heeft hij zich zelden uitgelaten: alleen steunde ook hij een en andermaal de pogingen, die werden aangewend voor de oprichting van een Christelijk Gymnasium. :1) Was het „oprichten van bijzondere lagere scholen, waar de kinderen onderwezen en opgevoed werden naar het Woord en in de vreeze des Heeren" noodig, door de Christenen moest het Itootjer, „bepaaldelijk ook het Gymnasiaal onderligt .... met ernst ter harte genomen worden." Evenmin als de openbare lagere school voldeden de openbare gymnasia ..aan de behoeften eener Christelijke Natie", zoodat voorziening in dit gemis een vereischte was.

Welke positie had de theologische faculteit aan de staatsuniversiteiten, en hoe werd met haar van de zijde der Regeering gehandeld? Volgens artikel 5T> van het

') Adv. II, I>1. 221; zitting van '21 Üee. 1860.

-| Nk». iio. (524.

") „ no. 177.

Sluiten