Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de coöperatieve beweging namen zij de voornaamste plaats in. De overige coöperatieve vereenigingen geraakten geheel op den achtergrond. De „ Rohstoffgenossenschaften " namen eerder af dan toe. I)e „Magazin"- en „Werkgenossenschaften" waren reeds bijna geheel verdwenen. Productieve vereenigingen en ook bouwvereenigingen waren schaarsch.

Van arbeiders-coöperatie was in het geheel geen sprake voor 1860. Eerst na dien tijd begint ze langzaam op te komen.

Die langzame ontwikkeling is toe te schrijven aan de inzichten van Schulze eensdeels en aan die van Lassalle aan den anderen kant.

Schulze's denkbeelden over de arbeidersklasse waren vreemd. Goed helder heeft hij de bestaande toestanden blijkbaar nooit overzien. Onder arbeiders begrijpt hij zoowel de fabrieksarbeiders als de kleine werkbazen, cf. „Die Arbeitenden Klassen und das Associationswesen in Deutschland". x) Hier heet het, na verwerping van het aalmoezen-principe: „ Hiernach fordern wir zuerst von den einzuschlagenden Wege dasz derselbe nicht blosz einseitig das Wohl einer einzelnen Klasse der Arbeiter verfolge, vielmehr die ganze arbeitende Bevölkerung umfasse, und ganz besonders dahin ziele die gewerbliche Selbstiindichkeit der bisherigen Klein>) Pag. 49.

Sluiten